Plant Instructies

Tuinplanten dient u met zorg en veel aandacht te behandelen. De volgende zaken zijn van groot belang om tot een goed eindresultaat te komen:

1. Grond; Losse grond met voldoende afwatering.

2. Vocht; Planten mogen niet te nat of te droog staan.

3. Voeding; Periodieke bemesting is noodzakelijk.

4. Standplaats; Iedere plant heeft zijn eisen betreft weersomstandigheden.

Bodem:

Zorg eerst dat u het plantgat, geul of plantvak voorziet van de juiste grond. Houdt daarbij rekening dat planten groeien en in de toekomst steeds meer grond nodig hebben voor de beworteling. Harde bodemlagen, klei en stenen kunnen ervoor zorgen dat wortels zich niet goed kunnen ontwikkelen.

Tuinaarde: Geschikt voor het vullen van plantvakken en onderlagen.

Potgrond: Geschikt voor het vullen van de plantgaten en aanvullen van sleuven.

Aanplantgrond: Geschikt voor hagen, siergrassen, vaste planten en veel eisende planten.

Tuinturf: Geschikt voor zuurminnende tuinplanten of planten die niet te vochtig mogen staan.

Uitzetten:

Als de grond geschikt is voor aanplant zet u de planten uit voor de aanplant. Houd rekening met de groei van de planten zodat ze elkaar niet verdringen in de toekomst.

Vochtig maken:

Maak altijd de kluit of pot vochtig alvorens u gaat aanplanten. Dit zorgt ervoor dat de kluit niet droog raakt op korte termijn.

Inplanten:

Probeer de kluit van de plant zo volledig mogelijk uit de pot te krijgen. Indien u een kluitplant heeft kunt u de juten kluit erom heen laten zitten. Wij maken zoveel mogelijk gebruik van gele juten die op korte termijn vergaat.

Zorg dat er onderin het plantgat losse potgrond wordt geplaatst. U zet de plant in het plantgat en zorgt dat bovenkant kluit net onder maaiveld komt. U vult het plantgat aan met de juiste grond en zorgt dat de grond licht wordt aangedrukt zodat de plant goed op zijn plaats blijft zitten.

Nazorg:

Water geven: Na de aanplant dient u periodiek water te geven. Na de aanplant hebben planten een beperkte kluit waardoor de kans op uitdroging groter is. Bij warm weer is het noodzakelijk de vochtigheid van de grond te controleren en te zorgen dat de planten niet droog komen staan.

Bemesting: Zorg altijd dat u vroeg in het voorjaar de plant bemest. De plant zal in het voorjaar gaan groeien en heeft daarvoor de juiste voedingstoffen nodig. Aan het begin van de zomer kunt u nogmaals bemesten zodat de plant niks tekort komt. Voor de wintermaanden is het niet zinvol om te bemesten omdat de planten in ruste zijn en nauwelijks behoefte hebben aan bemesting.

Snoeien: Snoeien kunt u het beste doen aan het einde van de winter. De plant is in ruststand en kan op dat moment de snoei het beste verdragen. Bepaalde planten hebben een speciale behandeling en dienen op specifieke momenten te worden gesnoeid.